Inloggen

Inloggen

PASEN ZOU ONS GEEN WINDEIEREN LEGGEN

Afgelopen Paasweekeinde trokken Thomas Panneman en ikzelf eropuit om in Delft mee te dingen naar de prijzen in het Prinsenstadtoernooi. Naast het reguliere weekendtoernooi werden daar namelijk voor het eerst ook vierkampen georganiseerd. Drie partijen in plaats van de gebruikelijke zes leek ons wel aantrekkelijk: naast dat een weekendtoernooi doorgaans moordend is (zeker op de zaterdag, waarop drie partijen van soms wel vier uur per stuk gespeeld worden), moet Pasen mijns inziens toch ook in teken staan van familie, samenzijn en bezinning. Daar was, met een avondpartij op vrijdag en een middagpartij op zaterdag en zondag, nu genoeg tijd voor.

Bij aankomst op vrijdagavond verkenden wij de speelzaal, en terwijl we aan een schaaktafel plaatsnamen vroegen we ons af hoe daar de tweehonderd (!) ingeschreven kandidaten gehuisvest moesten gaan worden. De zaal was nog niet vol, en het gebeuren kwam maar langzaampjes op gang. Zoals Thomas mij echter uitlegde hoefde het feit dat je schaker bent niet te betekenen dat je ook punctueel moest zijn – een feit waaraan hij mij niet hoefde te herinneren, gezien ik ook aan die hachelijke ziekte lijdt waardoor het lijkt alsof je op elk moment nog zeeën van tijd hebt. Dit keer echter was ik er wel, en liet de organisatie wat op zich wachten. De eerste partij zou om 19.15u beginnen, maar toen wij om halfacht nog aan het vluggeren waren, wisten we dat het een lange avond zou worden.

Na een inleidend praatje van René Poots, die het stokje als toernooidirecteur overnam van Richard Oranje, en wat technische regeltjes, verkondigd door hoofdarbiter Aart Strik, waarvan het altijd fijn is dat ze even in herinnering worden geroepen, kon de eerste ronde dan eindelijk rond kwart voor acht van start gaan. De eerste verrassingen waren gelijk een feit: Thomas zou niet in de derde, maar in de tweede vierkamp deelnemen. De vierkampen waren op rating ingedeeld, en dat zou betekenen dat Thomas het moest afleggen tegen 15- en 1600-spelers, voor hem natuurlijk een mooie uitdaging. Zelf speelde ik in de hoogste groep, waar origineel nog een andere 2100-speler stond ingeschreven (Ted Barendse), maar gezien hij als organisator het goed van het toernooi hoger achtte dan zijn eigen zin om in de vierkampen deel te nemen, besloot hij van deelname af te zien: zo bleven er namelijk drie complete vierkampen over. Waar Thomas dus opkeek naar hoger-geplaatsten, zo zou ikzelf als top dog de verwachtingen waar moeten maken.

In de eerste ronde was er gelijk vuurwerk: Thomas werd verrast door een Hollandse opstelling van zijn grootste concurrent, Piet Hofstee (1618). Hij won eerst een pionnetje die Piet wel terug kon winnen, maar alleen tegen een prijs die hij niet bereid was te betalen: controle over het centrum en heel wat tempozetjes. Thomas consolideerde en behield het materieel overwicht. Toen hij zelfs een aanval door het centrum kon organiseren leek de partij gespeeld. Misschien ruilde hij iets te snel de stukken af om naar een gewonnen eindspel af te wikkelen, waardoor hij de druk op de zwarte stelling verloor, maar het voordeel ebde nooit helemaal weg. Wat wel wegebde was de tijd: Thomas kwam in tijdnood, en Piet maakte daar slim gebruik van door in een stelling met wat pionnetjes minder remise aan te bieden. Gezien de tijdsincrement per zet maar een schamele tien seconden betrof, nam Thomas het aanbod aan, en had daarmee zonder risico zijn eerste goede resultaat geboekt.

In de hoogste vierkamp bleef het lang rustig. In een zeer kalme, klassieke Pirc maakte mijn tegenstander een paar positionele foutjes, maar hield verder goed stand. Naast mij werd remise aangeboden. Toen het later op de avond werd, begon mijn grootste concurrent, Pieter Buzing (2066), toch door de stelling van zijn tegenstander, Catheleijne Sanders (1957) heen te dringen. Terwijl Catheleijne met de witte stukken bezweek voor de altijd gevaarlijke verdediging van Aljechin, begon ik vorderingen te maken. Hoewel mijn tegenstander, Rudolf Kat (1903), die een ijzersterk toernooi speelde, met een tactische wending een aantal van zijn problemen oploste, en naar een eindspel kon afwikkelen waar hij toch wat kansen op remise bleef houden, wist ik met gecontroleerd spel handig gebruik te maken van de losse witte pionnen en de misplaatste stelling van de witte lopers. Met stukwinst en een paar handige zetjes was het eerste punt binnen. Goede Vrijdag was het zeker!

Daniël (rechtsvoor) in actie tegen Rudolf Kat (1903)

Op stille zaterdag hadden we gelukkig een vrije ochtend om bij te komen van de avond ervoor: na de eerste resultaten te hebben bijgetekend waren we in een Delftse stadskroeg geraakt, waar Thomas me aan de Chivas Regal-whisky zette. Toen we met de laatste metro naar Spijkenisse terugkeerden eindigden we nog in de shoarmazaak zodat de klok drieën sloeg eer we onder de wol konden. Als dat maar goed zou komen met het schaken die middag…

En zo geschiedde. Thomas boekte een soepele overwinning op zijn tegenstander, Bert Gerritsma (1538), die geen verdediging zag voor de altijd gevaarlijke Londense opstelling. Thomas maakte goed gebruik van het verdwaalde paard van zijn tegenstander dat op g6 op stal was gebracht, en met een nietsontziende koningsaanval werd een einde aan de partij gebracht. Met de witte stukken dreigde ikzelf in een SOS-variantje van de Franse Tarrasch terecht te komen, maar met wat getover en interessante/dubieuze zetten bracht ik zélf een SOS-variant op het bord. Tot tweemaal toe offerde ik een centrumpion, die mijn tegenstander niet aan wilde nemen voor positionele redenen. Maar toen hij rustig wilde spelen, werd het voor mij tijd om een heel stuk te offeren. Gezien ik heel wat tijd in de opening had verschalkt, moest ik de complicaties wel aangaan. Hij ging daarop in de denktank, vond niet de juiste verdediging, en mijn stukken schoven in een mars naar voren. Met een fijne combinatie won ik het stuk met rente terug, en nadat mijn tegenstander in tijdnood helemaal verdwaald raakte, bracht ik een op hol geslagen paard in de val en kreeg ik van mijn tegenstander gebaren van overgave. Twee uit twee.

Met een gezellig diner bij de lokale Italiaan in Delft, Salvatore, en de bijbehorende discussies over het bewustzijn, gaschromatografie en buitenaards leven sloten we de tweede dag in stijl af. Inmiddels was duidelijk dat ik eerste zou worden – gedeeld met één ander dan wel ongedeeld. Thomas moest winnen wilde hij zeker zijn van een eerste plaats. Hij ging in de eindsprint namelijk nek-aan-nek met Piet, die hij in de eerste ronde niet had weten om te leggen. Het zou hoe dan ook spannend worden.

Na een Paasochtend met familie, trokken de jongens er weer op uit om de laatste strijd aan te gaan. De vlag van Spijkenisse moest en zou gehesen worden in Delft, goedschiks of kwaadschiks, door een bloedige strijd of door strategische diplomatie. Van tevoren hadden beide spelers zich al voor genomen om tot het gaatje te gaan: remise zou niet het streven zijn. All-in, or all-out. Thomas herinnerde zich een schaakcollege van grootmeester Yasser Seirawan over een variantje uit de Oostenrijkse Aanval in de Pirc, maar blijkbaar in eerste instantie niet genoeg: hij haalde de zetten door elkaar, en het vuur werd hem aan de schenen gelegd. Met wat verdedigende, terugtrekkende zetjes echter lokte hij zijn tegenstander, Sjaak van As (1565), uit verder te gaan, maar daarmee verzwakte deze zijn pionstructuur op de damevleugel dermate, dat Thomas snel weer lekker kwam te staan.

Actiefoto van Thomas!

Aan de andere kant van de lange tafel bracht ik zelf óók weer een Pirc op het bord (de opening deed het goed in Delft!), en mijn tegenstandster van de dag, Catheleijne, bracht een fianchetto op het bord. Ze vertelde me na afloop van de partij dat ze meerdere spelers om raad had gevraagd in haar voorbereiding, maar dat ze te horen kreeg dat ik die variant toch wel erg goed kende (zo had ik het Maaike Keetman ooit lastig gemaakt op de Nederlandse Jeugdkampioenschappen, waar ik met een aanval op de koning mat wist te geven). Catheleijne ging dus terug op wat ze eenmaal eerder had gespeeld op een NK – ik was echter goed voorbereid. Op de elfde zet speelde ik het verlossende …d6-d5! en de druk op het centrum werd de witte stelling te veel. Ik snoepte een pionnetje, en wit moest afwikkelen naar een verloren eindspel. Misschien was het nog wat vroeg, maar Catheleijne reikte me de hand in overgave. Drie uit drie en kampioen van de vierkamp!

Inmiddels had Thomas zich helemaal teruggeknokt, en een winnende stelling bereikt. Zo goed was de stelling dat ondanks het feit dat hij gebruikmakend van een penning op simpele wijze een stuk kon winnen en dat niet deed, hij toch snel een overwinning wist te boeken, toen zijn tegenstander uit paniek een hele toren weggaf. Daarmee was hij op 2,5 uit 3 gekomen, en mededinger Piet leek het lastig te hebben tegen Bert. Een winnende stelling kon hij toch zeker niet meer bereiken. In spanning wachtten we af voor het verlossende eindoordeel en de prijsuitreiking. In eerste instantie was Piet nergens te bekennen, maar toen Thomas hem opspoorde bleek het onmogelijke bewaarheid te zijn geworden: Piet had gewonnen. Daarmee was het voor Thomas helaas een gedeelde podiumplek geworden. Niet tegenstaande het feit dat de jongens uit Spijkenisse even het podium voor zich hadden opgeëist. Per slot van rekening kreeg ik ook nog eens de spektakelprijs uitgereikt voor mijn partij van de tweede ronde - dat, hoewel misschien niet helemaal correct, toch een leuke en spannende partij was geworden. Een gezegend Pasen was het!

-Daniël, foto's door Herman Zonderland (DSC)

De kampioenen in de vierkampen

 

  1. Voor de resultaten en meer, zie de toernooisite:

http://www.delftseschaaksite.nl/toernooi/weekendtoernooi/?type=article&id=2045